PROGRAMMA KERSTCONCERT 2000

PROGRAMMA KERSTCONCERT 2000

 

1. Cantiones Natalitiae

 

Guilielmus Messaus (Antwerpen 1589-Antwerpen 1640)

- Dies est laetitae, voor koor met orgel

uit: Laudes Vespertinæ B. Mariæ Virginis (Antwerpen, Phalèse, 1629/1648)

Jhr. Jacob van Eyck (Heusden 1589/90-Utrecht 1657)

- Puer nobis nascitur, voor blokfluit

uit: Der Fluyten Lust-hof (Amsterdam, Paulus Matthysz., 1648)

Anoniem (Antwerpen, begin 17e eeuw)

- Puer nobis nascitur, voor koor met orgel

uit: Laudes Vespertinæ B. Mariæ Virginis (Antwerpen, Phalèse, 1604 / 1629 / 1648)

Anoniem (Antwerpen, begin 17e eeuw)

- Puer natus in Bethleem, voor koor met orgel

uit: Laudes Vespertinæ B. Mariæ Virginis (Antwerpen, Phalèse, 1629)

 

2. Missa natalis Domine

 

Hans Buchner (Ravensburg 1483-Constantz 1538)

- Puer natus est nobis, voor orgel

            uit: Fundamentum (±1520)

Heinrick Isaac (Vlaanderen ±1450-Venetië 1517)

- INTROITUS: Puer natus est nobis, voor koor a capella

- ALLELUIA: Dies Sanctificatur, voor koor a capella

- SEQUENTIA: Per quem sit machina, voor koor a capella

- COMMUNIO: Viderunt omnes terræ, voor koor a capella

            uit: Choralis Constantinus (Nürnberg, Hieronymus Formschneider, 1555)

 

PAUZE

 

3. Nederlandse kerstliederen uit de 17e eeuw

 

Dirck Jansz. Sweelinck (Amsterdam 1591-Amsterdam 1652)

- Hoe schoon lichtet de morghenster, voor koor a capella

            uit: Livre Septieme (Amsterdam, Joost Jansen, 1644)

B.F. de Bruin (Amsterdam?, midden 17e eeuw)

- Kersnacht, voor twee blokfluiten

            uit: Der Goden Fluit-hemel (Amsterdam, Paulus Matthysz., 1644)

Anoniem (mogelijk Dirck Sweelinck)

- O Kersnacht schoonder dan de dagen, voor koor met orgel en twee blokfluiten

            uit: Livre Septieme (Amsterdam, Joost Jansen, 1644)

Jan Pietersz. Sweelinck (Deventer 1562-Amsterdam 1621)

- Ons is gheboren een kindekijn (Puer nobis nascitur), voor orgel

            uit: Lübbenauer Orgeltabulaturen (Berlijn, Deutsche Staatsbibliothek, MS. LynarA1)

Cornelis de Leeuw (Edam ±1613-Amsterdam ±1662)

- Een kindeken is ons geboren, voor koor a capella

            uit: Livre Septieme (Amsterdam, Joost Jansen, 1644)

Jhr. Jacob van Eyck (Heusden 1589/90-Utrecht 1657)

- Een Kindeken is ons gebooren, voor blokfluit

uit: Der Fluyten Lust-hof (Amsterdam, Paulus Matthysz., 1648)

Joannes Berckelaers (?Antwerpen ±1630-?Antwerpen ±1700)

- Titer, wat een goede maer, voor koor met orgel en twee blokfluiten

uit: Cantiones Natalitiæ, liber secundus (Antwerpen, Phalèse, 1670)

 

EINDE

 

TOELICHTING KERSTCONCERT 2000

 

Het programma bestaat gewoontegetrouw uit muziek van Nederlandse componisten uit de renaissance, en opnieuw hebben we binnen deze begrenzing fantastische muziek kunnen traceren. Centraal staat de  muziek van de Missa Natalis Domine uit de Choralis Constantinus van Heinrich Isaac. Daaraan vooraf zijn een aantal zogenaamde Cantiones natalitiae geprogrammeerd: middeleeuwse kerstliederen met Latijnse of Nederlandse tekst, meerstemmig gezet door hoofdzakelijk Antwerpse componisten uit de vroege 17e eeuw. Het laatste programmaonderdeel wordt gevormd door een aantal Nederlandstalige kerstliederen. Het merendeel is afkomstig uit een Amsterdamse druk uit 1644 van het Livre Sepieme. Het allerlaatste werk is een Antwerps cantio natalitiæ, waarmee de programmering weer bij haar uitgangspunt is teruggekeerd.

Verder klinken er enkele blokfluitwerken, gespeeld door Marleen van Reenen en Erica Langereis. Een tweetal zelfstandige orgelwerken wordt gespeeld door Paul Meerwijk, die daarnaast ook de begeleiding van enkele cantiones natalitiae op zich neemt. Het kistorgel waarop hij speelt is gebouwd door de fa. G. en H. Klop uit Garderen, en is speciaal voor dit concert gestemd in een lage middentoon-stemming. De muziek klinkt daardoor een halve toon lager dan in de moderne stemming en maakt gebruik van zuivere tertsen. Deze stemming, die in de renaissance gebruikelijk was, komt de muziek uit deze periode zeer ten goede.

 

De cantiones natalitiæ

Letterlijk betekent de term cantiones natalitiae: ‘gezangen betreffende de geboorte’ en het zal niemand verbazen dat hier de geboorte van Christus bedoeld wordt. Het gaat vrijwel altijd om middeleeuwse kerstliederen, waarvan tekst en melodie dus al bekend waren en waarbij een nieuwe meerstemmige zetting gemaakt werd. Het zijn steeds Antwerpse componisten geweest die zich met dit genre hebben beziggehouden. Aanvankelijk treffen we deze ‘kerstliederen’ aan in bundels met Maria-antifonen, de Laudes Verpertinae B. Mariæ Virginis die uitgegeven zijn door de Antwerpse muziekdrukker Phalèse in drie opeenvolgende drukken van 1604, 1629 en 1648.

De druk van 1604 bevat zes cantiones natalitiæ. Dit is de enige druk die volledig bewaard is gebleven, echter zonder partij voor de basso continuo. Vier werken uit deze eerste bundel komen ook voor in de drukken van 1629 en 1648 (o.a. Puer nobis nascitur), die beide wel een basso continuo hebben, waardoor een volledige reconstructie mogelijk was. De druk van 1629 bevat zesentwintig cantiones natalitiæ, zes daarvan komen alleen in de deze druk voor (o.a. Puer natus in Bethleem). Van deze druk is alleen een alt-, tenor- en basso continuo-partij bewaard gebleven, deze werken missen dus de sopraan- en de baspartij. In de druk van 1648 staan negenendertig cantiones natalitiæ. Van deze druk mist alleen de baspartij (o.a. Dies est lætitiæ).

De reconstructie leverde geen onoverkomelijke problemen op, want de sopraanpartij werd gevormd door bekende kerstliederen, waarvan de melodie ook in andere bronnen bewaard is gebleven. De baspartij zal in principe dezelfde noten hebben gehad als de basso continuo, hoogstens zal er eens een verschil in octaafgebied of doorgangsnoot zijn geweest. De reconstructie op grond van de basso continuo zorgt er in ieder geval voor dat de muzikale bedoeling van de componist bewaard is gebleven. Wij maken gebruik van de reconstructies van Rudolf Rasch (uitgave Exempla Musica Neerlandica, VNM 1980). Hij reconstrueerde de sopraanpartij van Puer natus in Bethleem naar Triumph-hofjen (Hoorn, 1633) en – zoals gezegd – de baspartijen naar de basso continuo.

 

De blokfluitversie van Jhr. Jacob van Eyck van het kerstlied Puer nobis nascitur staat in een heel andere traditie: hier is het niet een meerstemmige zetting van een kerstlied, maar een eenstemmige reeks variaties op een bekende melodie. De inhoud van Der Fluyten Lust-hof bestaat – in de woorden van het titelblad van het eerste deel – uit Psalmen, Paduanen, Allemanden, en de nieuste voyzen, en verscheyden stucken om met 2 Boven-zangen te gebruycken. Dienstigh voor alle Konst-lievers tot de Fluit, Blaes- en allerley Speel-tuigh. Het gaat hier om een verzameling van 138 eenstemmige en 5 tweestemmige variaties op bekende melodieën, waaronder dus ook een aantal kerstliederen. Na de pauze klinkt uit deze bundel ook nog de bewerking van Een Kindeken is ons gebooren. De opzet van de variaties is voor vrijwel de hele verzameling gelijk: eerst klinkt de melodie in zijn oorspronkelijke gedaante en vervolgens komen er een aantal variaties (meestal drie, in Der Fluyten Lust-hof spreekt men van modo 1, modo 2, etc.) waarin steeds kortere notenwaarden worden gebruikt.

Van Eyck was naast blokfluitist en organist ook beiaardier, in 1624 werd hij benoemd tot ‘beiermeester’ van de Utrechtse Domkerk. Op het titelblad van de uitgave van Der Fluyten Lust-hof staat dan ook met gepaste trots: Door den Ed.Jr. Jacob van Eyck, Musicyn en Directeur vande Klok-wercken tot Uitrecht, &c. Doordat Van Eyck blind was, kon hij de muziek die hij componeerde niet zelf opschrijven, kennelijk improviseerde hij op zijn blokfluit, terwijl iemand anders het gespeelde opschreef. Een klein tipje van de sluier wordt opgelicht als we in de tweede druk van het eerste deel van Der Fluyten Lust-hof lezen: Den 2 Druck, op nieuws overhoort, … Hij heeft het zich dus kennelijk nog eens laten voorspelen.

 

De Missa natalis domine

Heinrich Isaac werd rond 1450 in Vlaanderen geboren en stierf in 1517 in Florence, waar hij het belangrijkste deel van zijn werkzame leven doorbracht. Deze zeer productieve componist behoorde tot de top van zijn tijd, en werd eigenlijk alleen (zoals zoveel van zijn tijdgenoten) overvleugeld door Josquin. De belangrijke Amerikaanse musicoloog Howard M. Brown schrijft in zijn boek Music in the Renaissance over deze periode:

 

Few periods in the history of western music have produced so many composers of the first rank as the several decades before and after 1500. If the High Renaissance was the age of Josquin, his contemporaries nevertheless created an extraordinary body of music worthy to be set beside his. (...) Josquin is the giant among them, but the others suffer only by comparison with him.

 

Binnen het oeuvre van Isaac neemt de Choralis Constantinus een bijzondere plaats in, en wel om een aantal redenen. De eerste is gelegen in het feit dat deze (in drie delen uitgegeven) verzameling met kerkmuziek composities bevat voor alle feestdagen van het kerkelijk jaar. Een dergelijk omvangrijke klus heeft geen andere tijdgenoot aangepakt. Een tweede bijzonder feit is dat de muziek pas in de periode 1550-1555, dus bijna een halve eeuw na Isaac’s dood, is uitgegeven. De bronnen waarop deze uitgave is gebaseerd zijn verloren gegaan en er is dan ook niets meer te achterhalen over de periode tussen het ontstaan en de eerste uitgave. Een derde feit is de complexe notatie waarvoor Isaac gekozen heeft. Binnen de notatiekunde van zijn tijd waren er ingewikkelde mogelijkheden die vooral door theoretici besproken werden, maar eigenlijk nooit in de praktijk werden toegepast. In zijn Choralis Constantinus maakt Isaac echter van de uitersten op het gebied van de notatiekunde gebruik. De complexe notatie heeft echter nauwelijks invloed op het klinkend resultaat: het had dus ook eenvoudig opgeschreven kunnen worden. Wat de betekenis van deze verborgen kenmerken van de muziek kan zijn, beschrijft de Nederlandse musicoloog Willem Elders in zijn boek Componisten van de Lage landen. In het hoofdstuk Geestelijke muziek als symbooltaal lezen we:

 

In de 15e en 16e eeuw waren de functie van de eredienst en die van de muziek voor die eredienst met elkaar verweven. De geestelijke muziek had haar eigen referentiekader, haar plaats in een samenhang van objecten en verhoudingen die voor de componist een psychische realiteit vormde. Wie buiten deze realiteit staat, zal niet gemakkelijk kunnen doordringen tot het wezenlijke karakter van de Nederlandse polyfonie, want deze werd geschreven om haar plaats in te nemen in een bestaand stelsel van begrijpen én geloven.

Er valt in zekere zin een vergelijking te maken met de betekenis die het kerkgebouw, in het bijzonder de kathedraal voor de christen had. De kathedraal moet namelijk worden gezien als het resultaat van een hooggekunstelde bouwtechniek die in dienst stond van zowel de mystiek als de wetenschappelijke observatie van de natuur, teneinde een visionaire verbeelding van de toekomst te bewerkstelligen. (…)

De fundamentele regel bij de zinnebeeldige interpretatie van het kerkgebouw luidt dan ook dat de vorm ervan meer door zijn symbolische waarde dan door zijn functie wordt bepaald. De regel blijkt ook menigmaal te moeten worden gehanteerd bij de interpretatie van de geestelijke muziek.

 

Op dit concert worden uit de Choralis Constantinus precies die delen uitgevoerd die specifiek betrekking hebben op de kerstmis. Isaac maakte daarbij gebruik van de oorspronkelijke gregoriaanse melodieën die voor deze mis geschreven zijn. Achtereenvolgens klinken de Introitus Puer natus est nobis, het Alleluia Dies sanctificatus, de Sequentia Per quem sit machina en de Communio Viderunt omnes. Dit blokje wordt ingeleid door een orgelwerk van de Duitse componist Hans Buchner, dat hij maakte op dezelfde gregoriaanse melodie van de Introitus Puer natus est nobis. De relatie tussen dit orgelwerk en de composities van Isaac bestaat niet alleen uit het feit dat ze van dezelfde gregoriaanse melodie gebruik maken, maar is ook gelegen in het feit dat ze in dezelfde tijd in Duitsland zijn gedrukt.

 

Nederlandse kerstliederen

Na de pauze klinkt een aantal Nederlandse kerstliederen uit de Renaissance. Op één na zijn ze alle afkomstig uit het Livre Septiesme dat in 1644 in Amsterdam werd uitgegeven door Dirck Sweelinck, zoon en opvolger van Jan Pieterszoon Sweelinck. De geschiedenis van het Livre Septieme gaat terug tot een uitgave door de Antwerpse muziekdrukker Phalèse, die ook verantwoordelijk was voor de uitgave van de cantiones natalitiæ . Als zevende boekje in een reeks van Franse chansons was de oorspronkelijke titel Septiesme livre de chansons a quatre parties. Het verscheen in 1560 en herdrukken volgden in 1562, 1564, 1567, 1570, 1573, 1576 en nog vele andere herdrukken tot 1663). Waarom nou juist dit zevende boekje uit de reeks zo populair is geworden laat zich niet goed verklaren, de andere delen uit de reeks kregen meestal slechts twee of drie herdrukken. Na 1600 wordt de bundel ook in Amsterdam door andere uitgevers herdrukt, o.a. in 1608, 1640 en 1644. Hoewel de inhoud van de verschillende herdrukken steeds enigszins wisselt, bestaat het hoofddeel uit een niet wisselende groep Franse chansons. Met enige regelmaat komen we ook Nederlandse liederen in deze bundel tegen. Bij de Amsterdamse drukken neemt het aantal Nederlandse teksten sterk toe, in de uitgave die Dirck Sweelinck in 1644 verzorgde waren het er zelfs 20 (waarvan overigens 8 canons).

Van een aantal stukken in de Amsterdamse druk van 1644 is Dirck Sweelinck zelf de componist geweest, het is zelfs de enige bron waarin composities van hem bewaard zijn gebleven. Van een aantal anonieme zettingen is het aannemelijk dat Dirck Sweelinck ook daarvan de componist is geweest. ‘Hoe schoon lichtet de morgenster’ behoort tot de eerste groep, het is een Nederlandse vertaling van het bekende Duitse koraal. Hoewel de vertaling geen schoonheidsprijs verdient, is de zetting zeer geslaagd. De bekende Vondeltekst uit de Gijsbrecht van Aemstel: ‘O Kersnacht schoonder dan de dagen’, is zo’n compositie die anoniem is overgeleverd en waarvan het vermoeden bestaat dat Dirck Sweelinck er de componist van is. De melodie was al langer aan deze tekst gekoppeld en wordt op ons concert eerst tot klinken gebracht in een tweestemmige zetting voor blokfluiten van de verder onbekende componist B.F. de Bruin. Als laatste kerstlied uit het Amsterdamse Livre Septiesme klinkt een werk van de in Edam geboren Cornelis de Leeuw op de middeleeuwse melodie en tekst ‘Een kindeken is ons gebooren’. Dit sluit dus aan bij de cantiones natalitiae die voor de pauze tot klinken kwamen. Dit werk wordt voorafgegaan door Ons is gheboren een kindekijn voor orgel door Jan Pietersz. Sweelinck en het wordt gevolgd door een eenstemmige bewerking voor blokfluit van opnieuw de Utrechtse componist Jhr. Jacob van Eyck.

 

Ons concert wordt afgesloten met de uitvoering van een in 1670 nieuw gecomponeerd werk in de traditie van de cantiones natalitiae. De titel luidt: ‘Titer wat een goede maer’. De zetting is voor zangers, orgel en twee blokfluiten. Titer is de naam die in de loop van de middeleeuwen aan een van de herders is gegeven. In dit lied wordt de blijde boodschap (‘de goede maer’) die de herders brengen met vreugde ontvangen. Dit werk stamt uit de tweede helft van de 17e eeuw en staat al duidelijk in de barok-traditie. Het werk is opgenomen in een van de laatste uitgaven van de Antwerpse muziekdrukkers familie Phalèse. Sinds de dood van hun vader Pierre Phalèse II, was de drukkerij in handen van Magdalena en Maria. Zij hebben vooral muziek van plaatselijke muzikanten uitgegeven, waaronder enkele drukken met louter cantiones natalitiae. Onder deze uitgaven vinden we zowel verzamelbundels met werken van verschillende componisten (vier drukken in 1645, 1651, 1654 en 1658, met een herdruk van de voorlaatste in 1667), als bundels die aan één componist zijn gewijd (Petrus Hurtado in 1655, Joannes Florentius à Kempis in 1657, Guillielmus Borremans in 1660, Gaspar de Verlit in 1660, Joannes vander Wielen in 1665, Franciscus Loots in ca. 1675). Van de onderhavige componist, Joannes Berckelaers werden maar liefst vijf bundels met Cantiones natalitiae uitgegeven, in 1667, 1670, 1679, 1688 en ca. 1695.

Ook van Titer, wat een goede maer zijn niet alle partijen bewaard gebleven. Naast de bewaard gebleven alt, tenor, bas en eerste blokfluit, moesten de sopraan, de tweede blokfluit en de basso continuo worden gereconstrueerd. Ook in dit geval maken wij gebruik van een reconstructie door Rudolf Rasch (Kerstbijlage ‘Huismuziek’, 1980).

 

Amersfoort, 23 december 2000

drs. Simon Groot (artistiek leider)